Groot Gen Hei
Groot Gen Hei

door Roelof Braad*

Woonden in Heerlerheide niet altijd al handelaren en notabelen met de wens om vrij te zijn? Als we de geschiedenis moeten geloven wel. Menigmaal zetten de 'Hedsjer kükeskroamer' zich in om van het oeroude dorp een zelfstandige gemeente te maken. De bewoners van de relatief onvruchtbare heide van Heerlen moesten hun brood vooral als kleine zelfstandige verdienen, omdat de boeren door de geringe grondopbrengsten maar weinig brood op de plank hadden. Velen hielden daarom kippen die ze op hun rug in grote manden met drie of vier verdiepingen naar de markt brachten om te verhandelen. Eierboeren en marskramers met groenten en andere waren gingen met hun 'ruls', een lichte kruiwagen van latwerk, de hondekar of later met de veren huifkar in de wijde omtrek van deur tot deur. Anderen verdienden hun brood als molenaar, hoef- of wagensmid, dakdekker of klompenmaker.

In elke Hedsjer bedrijfstak was er tot aan de twintigste eeuw, als de economie wat aantrekt door de komst van de mijnen, sprake van een stille armoede. Vanouds is ook het zilverzand in de verkoop gedaan. Eerst bewees het zand zijn nut voor de reiniging van de meestal houten vloeren in de woningen of voor het drogen van de inkt op het papier van de secretaris van de schepenbank of van de rentmeester van de adellijke huizen Passart-Nieuwenhagen, Roebroeck (het Leyenhoes) of 'de Wieër'. Vanaf het begin van de twintigste eeuw was het een belangrijke grondstof voor de glas- en lampenindustrie en tegenwoordig zelfs voor de computerchips van de bekende gloeilampenfabriek in Eindhoven. Maar de door de schepen­bank en later de gemeente Heerlen opgelegde belastingen drukten zwaar op de portemonnee. Voorzieningen voor de binnenstad als nachtwacht, lantarenpalen, een school, electriciteit, een treinstation aan het eind van de negentiende eeuw kostten veel geld en de Hedsjer hadden er last van, omdat men ervoor meestal te voet een aantal kilometers richting centrum moest. Ook bij het onderhoud van de buurtwegen werd Heerlerheide vaak vergeten.

Heerlerheide is misschien wel het oudste stukje Heerlen. Een grote opgraving bij een van de zilverzandgroeven bij de Schelsberg bracht een bijna zesduizend jaar oude nederzetting van de Michelsbergcultuur aan het licht. Bij Rennimig en Koningsbeemd zijn ooit sporen van Romeinse en Frankische bewoning gevonden. In de Middeleeuwen was de vruchtbare grond rond de Caumerbeek bij de Köpkensmolen een belangrijk leengoed, net als de grond om de adellijke huizen. Vooral toen Heerlerheide in 1839 als zelfstandige parochie van Heerlen was afgescheiden won de 'grote' gedachte aan een vrij en zelfstandig bestuur, maar ook aan eigen voorzieningen en verenigingen terrein. Waren de handelaren en edelen van Heerlerheide de hegemonie van het 'centrale' Heerlen beu? Onder aanvoering van pastoor Reyners wordt in 1846 de eerste poging gewaagd om van Heerlerheide een zelfstandige gemeente te maken. Later zijn er nog twee pogingen, één in 1901 en één in 1933, waar belangrijke 'Hedsjer' families als Hoenen, Leers, Sijstermans, Beaujean, Packbier en Custers voor tekenen. Het leeft nog zeer: zelfs bij de laatste gemeentelijke herindeling van 1981 was er een beweging om van Heerlen los te komen…

Wat Heerlen had, wilde Heerlerheide ook. De stad had een schutterij, Gen Hei moest er ook een en kreeg die in 1849. De stad had een harmonie, Gen Hei moest er ook een. Die werd opgericht in de zaal van J.W. Leers in 1877. Door rivaliteit in een geduchte verkiezingsstrijd in 1881 tussen de families Packbier en Hoenen enerzijds en de herverkiesbare wethouder Leers werd er dat jaar zelfs een tweede harmonie opgericht. 'Eendracht' werd later de nu nog bestaande Fanfare St. Joseph.

De twintigste eeuw bracht door de komst van de mijnbouw heel wat veranderingen voor Heerlerheide. Bij Rennemig bouwde men vanaf 1912 de Oranje-Nassaumijn III, die in 1917 in bedrijf kwam. Buurten als de Keek en Rennemig werden gebouwd voor de huisvesting van de mijnwerkers. Door de enorme toename van de bevolking kwamen er steeds meer verenigingen, zoals Kunstwielrijdersvereniging 'De Heidebloem' in 1908, voetbalvereniging 'Groene Ster' in 1926 of de Sloveense zangvereniging in 1929. Maar er kwamen ook meer voorzieningen als winkels, een politiebureau, scholen en een patronaat in de wijk. Die werd nu niet alleen maar vanwege het gedachtegoed 'Groot Gen Hei' genoemd. Heerlerheide werd een groot dorp van Heerlen en was dat zeker nadat kort na de Tweede Wereldoorlog de woningen rond de Corneliuslaan verrezen en wat later ook de Wieër was volgebouwd.

Het einde van de mijnbouwperiode en de sloop van de Oranje-Nassaumijn III na zijn sluiting op 3 augustus 1973 zorgde voor een ware metamorfose en modernisering van de wijk. Rond het Corneliusplein verrees een nieuw winkelcentrum en op het voormalige mijnterrein verrees Nieuw-Rennemig. Maar ook tegenwoordig moet het nog beter, want de infrastructuur in het centrum is aan verbetering toe. Het moet en mag mooier en nog groter. Een nieuwe belangrijke straat mag wat mij betreft dan ook terecht 'Groot Gen Hei' gaan heten…

* Roelof Braad is stadshistoricus van Heerlen en bereikbaar bij het Heerlense Stadsarchief.

Foto's: collectie Stadsarchief Heerlen.

Fanfare St. Joseph in maart 1957

Stadsarchief Heerlen, fotocollectie nr. 7898

De toegangspoort van de voormalige mijn ON III

Stadsarchief Heerlen, fotocollectie (Heerlerheide0006.jpg)

Kijkje vanaf de kerktoren richting Staatsmijn Emma begin jaren vijftig

Stadsarchief Heerlen, fotocollectie (Heerlerheide0005.jpg)

.

.

De Ganzeweide rond 1950

Stadsarchief Heerlen, fotocollectie nr.6196

.

.

De hoek van de Wannerstraat en de Heulsstraat op 8 juli 1933

Stadsarchief Heerlen, fotocollectie nr. 5256

.

,

Het kruispunt bij de inmiddels verdwenen kapel op de Bok, 1932

Stadsarchief Heerlen, fotocollectie 5345-uitsnede

Zie ook http://www.stadsarchiefheerlen.nl/

'Weller Magazine http://www.wellernet.nl/


door Roelof Braad

 
powered by Intraxxion